Dag 6 Seydisfjordur IJsland – Egilstadir IJsland (±32 km)

Al vroeg zijn we op om aan dek te zien of we het eiland zien liggen. Net op tijd, want in alle bijzondere pracht ligt het al voor de boeg, een witte sneeuwkap er op en al. En dat tegen een blauw dek en blauwe zee. Oh, wat mooi. Gelukkig hebben we alle winterkleding die we mee aan boord hebben al aan. Er zijn maar twee anderen aan dek, waaronder onze motorrijder. Vol in de wind, thermo-ondergoed, truien, fleecejacks en mutsen en handschoenen hebben we echt nodig. Maar de foto heb ik. We merken dat de nieuwe fleecemutsen niet winddicht zijn. We krijgen een ijskoude kop. Daar moeten we nog even wat aan doen. Nieuwe kopen als de kans zich voordoet. De kale rots lijkt behoorlijk winderig en koud met alle sneeuw op de toppen.

Via een fjord bereiken we Seydisfjordur, een havenplaatsje met een stuk of vijftig gebouwtjes. Als we van boord rijden trekt de JEEP gelijk de aandacht van de douane. Wij rijden op benzine dus hoeven geen belastingformulier in te vullen voor dieselbrandstof. Geen extra kosten dus. Wel moet de registratiesticker op de ruit, waarmee je auto herkenbaar wordt voor de autoriteiten. Dan kun je ‘m tenminste niet achterlaten en stilletjes vertrekken. De douane vraagt naar onze import en ik geef toe dat we zes blikjes Heineken te veel bij ons hebben. We moeten gelijk uit de rij wachtende, naar een loods van de douane. Iedereen kijkt ons na met een blik van; zie je wel! Aansluiten in de volgende rij. Formulieren invullen en eenmaal binnen moeten we alles uitpakken. De zes illegale blikjes van de in totaal 48, komen tevoorschijn. Meer formulieren en dan naar een belastingloket. Als de dsc_0063-mindame daar vraag wat Heineken bij ons per blik kost zeg ik zestig eurocent. Daarover berekent ze vervolgens belasting en omgerekend moet ik twee euro dertig belasting bijbetalen. Het bier krijg ik zelfs weer mee. Goed dat we het hebben aangegeven en dat het niet is ontdekt. Dat is, zeggen ze, veel duurder. We pinnen bij een geldautomaat tegenover de kade met de boot. Eigenlijk niet nodig, want je kunt hier overal met creditcard betalen, zelfs een kop koffie, en ook contant geld ontvangen – creditcard – bij veel winkels. Nog een paar inkopen bij de supermarkt, we kunnen weer eten.  Dan vertrekken we naar camping Egilsstadir in Egilsstadir.

De weg naar Egilstadir loopt over een bergpas, of waren het er nou meer. In elk geval via een lekker slingerende bergweg. Milde hellingen, rotsen, grijs gesteente en weinig vegetatie. Het landschap is op zichzelf door de kaalheid al bijzonder. En de vreemd gevormde bergen links en rechts doen buitenaards aan. Zo kom je ze in de Alpen niet tegen. De Jeep snort lekker tussen de rotsen. Een zware brom vermogen borrelt uit de Borla uitlaat. Daar hebben we ‘m voor. Verlaten en uitgestorven ziet de route er niet uit, meer rustig, goed onderhouden en in ontwikkeling.

De camping is snel gevonden. Naast het tankstation, even verderop de supermarkt, een restaurant in de buurt en zelfs een Staatsdrankwinkel om de hoek. We kunnen de tent beschut opzetten op een plek waar nog nooit – we haten tentkampeerplekken met ribbels van autobanden – een auto of camper is geweest, achter een balkje. Dat is de manier om een camping in te richten. De rest van dag brengen we rustig door met het in de juiste volgorde inpakken van de bagage. In het avondzonnetje drinken we op ons gemak een lekker bakkie eigen koffie en bellen het thuisfront dat we d’r zijn. Als de zon weg is, zakt de temperatuur in rap tempo tot 5 onder nul en gaan we naar bed. De wind snijdt door alles heen, maar we slapen heerlijk op de vaste wal.